18 Oct, 2017

Portretten 2003-2006

Frieda - Augustus 2003

Afrika als een droom

Frieda ontvangt ons hartelijk in haar appartement. Glimmende parketblokjes, in terracotta geschilderde muren, een behangstrook met giraffemotief maakt de overgang naar het plafond. Een muziekcassette gooit zwarte muziek in de woonruimte. “Ja ik heb iets met Afrika”, luidt het opgewonden, “maar ik ben er nog nooit geweest”. Het liefst zou ze als verpleegster aan het werk gaan in dat continent. Haar nieuwe Afrikaanse vriend komt even dag zeggen en glipt naar de keuken. “Hij weet het niet van me”, zegt Frieda. “Ik ben 15 jaar geleden geopereerd. De stap van man naar vrouw in kleding vond ik veel moeilijker en aangrijpender dan de operatie zelf. Die lag in de lijn van de weg die ik aan het afleggen was. De kers op de taart”.

Toen ik 13, 14 jaar was hielden ze me heel vaak voor een meisje. In winkels waar ze me niet kenden, was dat altijd “Juffrouw…” Mijn moeder reageerde dan altijd streng roepend: “Dat is geen juffrouw, dat is een jongen!” (giert het uit)... Ik probeerde mij zo’n beetje aan mijn mannenrol te houden. Ik had geen pop om mee te spelen, maar een teddybeer, die ik dan verkleedde als pop. Ik denk dat je dat als kind allemaal leert maskeren, voor een groot stuk onbewust.

Ik ben nu niet meer dé transseksueel, ik ben gewoon mezelf. Soms komt het nog wel eens naar boven als mensen er iets over vragen. Meestal is dat op mijn werk, omdat iedereen het daar weet. Het is het eenvoudigst om daar open en eerlijk over te praten, soms met een beetje humor. Vaak is het even verrijkend voor mij als voor hen, omdat je dan toch weer eens even bij jezelf stil staat. Soms krijg ik wel eens de vraag: “Jij was dus vroeger homo”. En dan zeg ik: “Neen, ik ben nooit homo geweest!” Daar kunnen ze niet inkomen. Ik ben altijd voor de mannen geweest. Dus in die zin hebben ze wel gelijk. Ik versta heel goed de verwarring, omdat ik een tijdje zelf gedacht heb dat ik homo was.

Ik ben opgegroeid in een christelijk plattelandsmilieu. Toen ik 14,15 jaar was, las ik in een boekje van de jeugdbeweging iets over homoseksualiteit. Ik dacht: “Voilà, dat is het hé. Ik hou van mannen, ik heb de fysieke kenmerken van een man, dus ik ben homoseksueel”. Ik was opgelucht omdat ik het wist. Maar na een aantal jaar begon ik weer te twijfelen. In het weekend ging ik me als vrouw kleden voor een fuif of een party. Anderen – vooral homo’s - deden het ook, maar wilden daarna weer vlug man zijn. Ik probeerde me thuis al aan te kleden en bleef liefst zo lang mogelijk in vrouwenkleren, omdat ik ook niet graag als man erkend werd.

Op het werk, ik ben verpleegster, was er iemand waar ik een goed contact mee had en veel mee praatte. Na een tijdje zei ze: “Volgens mij ben jij transseksueel”. Ik kende intussen al wel een paar transseksuelen, maar dat waren mensen die in het cabaretmilieu zaten en te pas en te onpas hun borsten en vagina lieten zien. Dat maakte dat ik er heel lang terughoudend tegenover ben geweest. Toen ik uiteindelijk toch bij een psycholoog terechtkwam die de diagnose gesteld heeft.

Mijn werkgever reageerde in het begin positief noch negatief. Maar ik voelde dat de directie de datum waarop ik me als vrouw zou mogen uiten, altijd maar voor zich uitschoof. Door de hormonentherapie kreeg ik natuurlijk borsten. Op een bepaald moment, na drie weken vakantie, leende ik van een collega een schort. De volgende dag kwam ik de directeur tegen. Hij zegt goedendag tegen mij en gaat gewoon verder. Even nadien ging telefoon: “Kan u zich aanmelden in het bureel van de directeur”. Ik moest onmiddellijk de werkvloer verlaten en me de dag nadien opnieuw aanbieden als man. Ik ben toen een dagje niet gaan werken en bood me terug aan als vrouw. Ik moest meteen mijn ontslagbrief tekenen. De reden van ontslag was het weigeren van het dragen van het voorgeschreven uniform. Het was een katholiek ziekenhuis.

Ik heb wel even met angst gezeten, toen ik mijn werk kwijt was. Toen vroeg ik me af: “Wat gaat er nu met mij gebeuren?” Ik kan mij voorstellen als dat iets is dat lang duurt, dat je daar depressief van wordt. Gelukkig heb ik na drie weken opnieuw werk gevonden als verpleegster in een vrijzinnig ziekenhuis. Mijn transseksueel zijn was geen punt.

Na een paar jaar ben ik naar de rechtbank getrokken. Dat was belangrijk voor me. Een strijd van David tegen Goliath en David heeft gewonnen... omdat de rechter vond dat transseksueel zijn een recht is. Waarom zou ik niet het recht hebben om met patiënten om te gaan? Ik ben toch een goede verpleegster.

Ik heb na de operatie niet meteen nog iets met transseksualiteit te maken gehad. Maar toen ik me liet inschrijven voor een bijkomende opleiding tropische geneeskunde, moest ik mijn diploma van verpleegkundige voorleggen, waar mijn jongensnaam opstaat. Toen dacht ik: “Ja, ik moet er toch wel een verantwoording bij doen”. Dus ik steek er mijn geboorteakte bij en zo. Op die manier word je je opnieuw bewust dat dat iets is wat je heel je leven meedraagt, ook al wil je dat niet.

“Je bent vrouw, punt uit en gedaan”. Dat is niet zo. Er zijn mensen die je kennen van vroeger. Je wordt op een of andere manier met hen geconfronteerd op de meest onmogelijke momenten. Ze doen hun eigen verhaal erover. Dat zal niet altijd pijnlijk of moeilijk zijn, maar dat is gewoon een stuk van de realiteit. Het is niet zo van: “Voilà, je bent nu geopereerd en het verleden is weg. En vanaf vandaag begin je opnieuw”. Je kan dat onzinnig vinden of niet.

Op dit ogenblik is het tamelijk moeilijk voor mij omdat ik niet zo goed kan beslissen. Wil ik mezelf nog bestempelen als transseksueel of beschouw ik mezelf als een vrouw. Voor ik mijn nieuwe vriend uit Niger leerde kennen had ik beslist: “Het is genoeg. Ik ben gewoon vrouw en transseksueel. Iedereen mag dat weten, dat is geen probleem”. Maar nu heb ik zo weer iets van: “Ik heb toch ook wel veel te beschermen”.  Veronderstel nu dat ik het hem zeg, of hij komt het te weten, dan zou waarschijnlijk ook hij door een identiteitscrisis gaan. Want ik denk zeker dat mensen in zijn cultuur – hij is moslim - het begrip transseksualiteit niet echt kennen.

Je proces van transseksualiteit maakt je niet gelukkig. Het is niet omdat je alles de rug hebt dat je gelukkig bent. Ik denk dat sommige mensen dat wel verwachten. En dat zijn vaak mensen die achteraf in een put terechtkomen. Eigenlijk verandert dat niet zo veel.  Het is gewoon de kers, maar ook niet meer... Ik denk dat de mens zijn geluk zelf maakt.

Ik heb een tijdje met de idee gespeeld om een facial feminisation surgery te laten doen, mijn gezicht te laten vervrouwelijken. Maar dan denk ik van: “Och nee, toch niet...” Ergens is dat omdat je jezelf nog niet acceptabel genoeg vindt. Ik vind het moeilijk om daarover van je omgeving een objectief beeld te krijgen. Want iedereen zegt: “Waarom zou je dat doen, je ziet er toch goed genoeg uit”. En dan vraag ik me af of ze dat zeggen om me tevreden te stellen en me op te hemelen? Of ze het menen? Daar ben ik nog altijd niet uit.

Augustus 2003