18 Oct, 2017

Portretten 2003-2006

Gio - November 2004

Ik ben altijd een halve jongen geweest

Gio een bezoekje brengen is makkelijker gezegd dan gedaan, want de lift naar zijn appartement is een koppig ding. Ze stopt bijna steeds vier in plaats van drie hoog. “Geen paniek!”, roept hij, “Je komt er wel! Druk op twee en het komt het goed.” De lift geeft uit op een gemeenschappelijke ruimte waar alle kinderen van de verdieping kunnen spelen. Het ligt er bezaaid met speelgoed. In zijn flat is Gio’s dochtertje dat hij vijf jaar geleden gebaard heeft, aan het spelen. “Ik ben een baarvader”, zegt hij fier.

Het is eenvoudig. We zijn begonnen met twee vrouwen en hebben als lesbisch stel een kind gekregen. Het komt uit mijn buik en daarna ben ik een mijnheer geworden. Ik ben een moeder en een man, klaar! Ik had al twee relaties achter de rug, maar het lukte niet. De eerste ging dood. De tweede wilde geen kinderen. Ik besloot alleenstaande moeder te worden. Toen kwam ik mijn derde vriendin tegen die wel kinderen wilde, maar niet zelf zwanger wilde worden. Dus werd ik het. Ik ben dan vreselijk ziek geworden, niet alleen door de zwangerschap. Er was meer aan de hand, want een poos na de geboorte kwam mijn verhaal naar boven.

Dat ik een jongen of een halve jongen ben, dat is niets nieuws. Dat weet ik al vanaf mijn vierde. Ik was 15 en zag een film. Het ging over een getrouwde man met twee kinderen, die vrouw wilde worden. Hij reed weg in een eend en liet zijn gezin achter om een nieuw leven te beginnen. Toen begreep ik dat je er alles voor moet over hebben om je om te laten bouwen. Dat wilde ik toen ook... maar ik vroeg me af of ik er echt alles voor over zou hebben. Ik dacht na over wat het voordeel zou zijn om een vrouw te blijven. Ik kon er één verzinnen, namelijk moeder worden. En dat heb ik altijd willen zijn.
Ik heb mijn borsten nooit gewild. Ik had er een afkeer van. Op mijn vijftiende zei ik het tegen mijn vriendinnetjes, zelfs mijn moeder. Toen ik 17 was, hebben ze twee kilogram weggehaald, maar had nog een D-cup. Het was vreselijk! Na heel wat jaren was er in februari van dit jaar een nieuwe borstoperatie. De fotoshoot niet veel later was een raar gegeven. Ik was blij én verdrietig. Achteraf gezien was het de begrafenis van mijn vroegere ik, zonder mijn hele verleden achter me te laten. Ik ben 3,5 kilogram tieten kwijt. Je moet je dat maar eens proberen voor te stellen. (lacht uitbundig...)

Mijn dochtertje van vijf – haar tijd erg vooruit – vroeg een half jaar geleden of ze af en toe ‘papa’ mocht zeggen. Dat vond ik oké. Ze zegt meestal Gio en ook wel eens ‘man’ wat klinkt als mam. Ik neem geen hormonen en wordt dus ook nog ongesteld. Dat merkte ze op en vond dat vreemd. Toen heb ik haar gezegd: “Ik ben een beetje mijnheer en een beetje mevrouw”. Mevreer is een term waarmee ik haar heb uitgelegd wie ik ben. Of het nu zoveel eenvoudiger is, dat weet ik niet. Maar we passen toch al niet in het standaardplaatje. We hebben co-ouderschap en delen de zorg. Het begin van de week is ze bij mijn vroegere vriendin, aan het eind van de week is ze bij mij. Het is nauwelijks onderwerp van gesprek.

Ik heb God wel eens afgevraagd waarom ik zo was. Vanaf mijn vijftiende mocht ik de kerk niet meer binnen, want als je lesbisch mag dat niet van de Paus. Ik ben niet meer naar de kerk geweest tot aan de doop van mijn dochter. Ik kwam bij de Remonstranten terecht, een gemeenschap binnen de protestantse kerk. Ik ben op een bepaald moment naar de predikant geweest omdat ik vond dat hij dat moest weten. Het was geen probleem. Het heeft zelfs in hun nieuwsbrief gestaan dat ik vanaf een bepaald moment Gio zou gaan heten. Dat is nu twee jaar geleden.

Gio is mijn roepnaam. Ik weet nog niet of ik het ook juridisch wil laten aanpassen. Je kan niet zomaar mijn voornamen laten veranderen. Ik ben trouwens ook nog mevrouw voor de burgerlijke stand. Dat v-tje op mijn paspoort staan, stoort me niet maar het liefst zou ik hebben dat er niets zou opstaan. Dat geeft nog het beste weer hoe ik me voel. Er zijn nogal wat voorwaarden om er een v-tje op te krijgen, bijvoorbeeld de verwijdering van mijn baarmoeder, en daar wil ik helemaal niet.

Mijn genderidentiteit – het plaatje dat ik mezelf opkleef - is vrij duidelijk. Mijn genderrol – waar de samenleving me plaatst – hangt af van de situatie. Op mijn werk ben ik “hij” en “mijnheer”. Bij de belastingsdienst ben ik mevrouw. Ik de sauna ben ik een mevrouw, in het zwembad ben ik een mijnheer. Op het naaktstrand zou het weer jammer zijn mocht mijn dochtertje papa gaan roepen. Daar ben ik dan weer een vrouw. Ik kan alle kanten op en dat vind ik best lekker. Vroeger was ik al wel eens een vrouw die net niet in een mantelpak verscheen, maar wel met make up en sierraden. Dat mis ik wel eens. Ik heb nog één paar vrouwenschoenen en heb nog één handtasje.

Ik maak het misschien wel moeilijk voor de maatschappij maar ik probeer te zoeken naar een evenwicht tussen wie en ben en hoe ik me voel en hoe de maatschappij denkt dat we moeten leven. Het is voor de buitenwereld het makkelijkst dat je er vrij duidelijk in bent. Mensen die het weten daar ben ik wel eens beiden voor. Mensen die me niet kennen daar ben ik in regel mijnheer voor. Zolang ik mijn mond niet open doe en ik draag wat meer mannelijke kleren dan is het duidelijk voor iedereen. Maar ik kan net zo goed een vrouw zijn. Het gaat voor mij heel erg om de balans. Ik gebruik ook geen mannelijke hormonen.

In mijn fantasie ziet het er allemaal schitterend uit met een prachtig gespierde borstkas, maar de realiteit is gewoon dat ik er uitzie alsof ik een vrouw ben die borstkanker heeft gehad. Een Mister Softie [een namaakpenis] in mijn broek vind ik echt kut. (lacht uitbundig...) Heb je dat ooit eens geprobeerd? Ik vraag me af wat ik in het dagelijkse leven met een bobbel in mijn broek moet. Ik ben erg tevreden met mijn kut en hij doet het erg goed en ik wil hem graag houden. Ik ben er trots op. Mijn kind is erdoor geboren. Ik heb er nooit een hekel aan gehad.

Ik beschouw mezelf als transgender. Als ik helemaal verdrietig ben dan denk ik wel eens dat ik een vent zonder pik of een vrouw zonder tieten ben. Maar in mijn goede doen – en dat overheerst wel – heb ik de voordelen van de twee. Ik ben als vrouw opgevoed en heb daarnaast een aantal mannelijke kwaliteiten. Ik heb mezelf een breder palet toegeëigend waar ik uit kies. Het is en/en. Ik kan vreselijk vrouwelijk zijn en lopen tutten, maar ik kan ook stoer zijn. Door de maatschappij word je jammer genoeg in een bepaald stramien geperst.

Mijn moeder is er ook nog niet klaar mee. Ze zit nog in een rouwproces. Met mijn naamsverandering heeft ze het best moeilijk. We hebben geregeld contact. Ze heeft het nooit gezien en dat vind ik best erg. Als kind ‘switchte’ ik ook. Spelen met jongens is altijd mijn alibi geweest. Ik was geen typische kwajongen, maar een halve jongen, een tomboy.

November 2004