18 Oct, 2017

Portretten 2003-2006

Guido - Februari 2005

Ik ben een man met een vrouwelijke ziel

Guido is wat je zou kunnen noemen een bekende Vlaming. In de bossen waar hij woont, ver weg van de drukte van de stad die hij enkele jaren vaarwel heeft gezegd, leeft hij zijn leven en vertelt hij over zijn travestiet-zijn. Guido’s alterego Gina steekt als de avond valt de kop op, haast dagelijks. Met de heerlijke geur en de gezellige warmte van de houtkachel op de achtergrond praat hij gedreven over gevoelens, angsten en vreugde. Guido als een bekende travestiet.

Het beeld van Guido Belcanto is op tien jaar tijd erg veranderd. Nu toon ik me zoals ik echt ben. Het imago dat ik had voor mijn outing: bakkebaarden, cowboystijl, jaren ‘50-kapsel, dat was pure camouflage om de vrouw in mij weg te moffelen voor de buitenwereld. Het is niet zo dat ik van de ene dag op de andere fysiek veranderd ben. Daar is een tijdje overheen gegaan. De dag dat ik mijn bakkebaarden afschoor dat was een heel symbolische stap.

Ik was bezig te veranderen, toen ik op teevee kwam om mij te outen. De bakkebaarden waren er al af. Ik droeg een vrouwenhemd en een soort legging, het vel waarin ik paste. Ik heb het uiteindelijk gezegd op zondagmiddag in De Zevende Dag. Tot vlak voor de televisieuitzending, was ik nog aan het twijfelen. Op het moment dat ik er zat en in beeld kwam, floepte het eruit. Hoe ik het ging zeggen, dat had ik niet voorbereid. Chantal Pattyn boezemde me als interviewer heel veel vertrouwen in. Ik zag aan haar dat ze voelde dat ze een geweldige primeur had gescoord. Tegen een vent had ik het wellicht niet zomaar gezegd.

Toen ik me outte, heb ik even het gevoel gehad dat ik de beroemdste travestiet was in Vlaanderen en de spreekbuis moest worden voor al mijn lotgenoten, maar die roeping heb ik niet. In mijn theatershow Van den duivel bezeten (2001) kwam ik na de pauze erg vrouwelijk weer op het podium. Toch heb ik de lijn niet doorgetrokken en echt als vrouw op het podium gaan staan. Ik wilde mijn eigen ruiten niet ingooien en alles wat ik gedurende 20 jaar moeizaam heb opgebouwd met één klap vernietigen. Hoezeer mijn fans van me houden, denk ik niet dat ze zo’n stap zouden vatten. Ze bewonderen mij als zanger, als man met vrouwelijke trekken die daar voor uitkomt. Maar ze zien me nog altijd als Guido en niet als Gina. Je kan dat angst noemen, maar zover reikt mijn martelaarschap niet.

Mijn ziel is vrouwelijk en ik zit in een omhulsel dat man is. Dat maakt dat ik vrouwengezelschap kies boven mannengezelschap. Ik voel me in een groep vrouwen veel meer op mijn gemak omdat ik er zonder problemen mijn gevoelens kan uiten. Bij mannen moet je oppassen wat je zegt, want ze vinden je al snel een softie of een mietje, maar dat ben ik niet. Ik ben heel gevoelig en vrouwelijk, maar niet verwijfd. Mannen dragen nog altijd - zeker in groep - een masker van stoerheid en heb een hekel aan alle maskers. Ik heb geen zin om te wedijveren met mannen. De grootste vreugde en bevrediging die ik kan beleven, is vrouw zijn met andere vrouwen. Ik wil geen mannenrol spelen, ook niet in bed... Dat gaat me niet meer af. Het mannetje in bed is dood. Ik omschrijf mezelf dan ook als een lesbische man.

Ik prijs me gelukkig dat ik een podiumverschijning en geen bankdirecteur of tramchauffeur ben, omdat ik als artiest veel meer de mogelijkheid hebt om mijn transvestime ongestraft te uiten. Van kunstenaars denken mensen toch dat ze al half zot zijn. Ik zou al de mannen die travestiet zijn maar het niet naar buiten kunnen brengen omwille van hun maatschappelijke status niet te eten willen geven. Ik denk dat veel mannen ermee worstelen. Het is een tragedie als je het aan niemand kunnen tonen. Er zijn veel mannen die het zelfs niet kunnen laten zien aan hun eigen vrouw, die er heel de tijd mee blijven zitten. Deze mensen kunnen nooit gelukkig zijn.

Het thema komt al van in het begin in mijn repertoire aan bod. Het nummer François (1990) bijvoorbeeld: François, die Françoise wordt genoemd. Niemand zou toen gedacht hebben dat het over mij zou gaan. Ik bracht het op een afstandelijke manier, alsof het over iemand anders ging. Na mijn outing heb ik liedjes gemaakt die er open en bloot over gaan. Bijvoorbeeld O Heer (2002), waarin ik mij tot God richt en hem beschuldig van alles wat er fout loopt in mijn leven en alle pech die ik heb. Ik neem God kwalijk dat hij mij geen vrouw stuurt om me te beminnen en daarom moet ik mezelf als vrouw beminnen. In dat lied komt heel goed het ritueel van de transformatie naar voren.

Ik beleef mijn travestie zijn vooral privé en kom er weinig of niet mee naar buiten, wat ik jammer vind. Ik wil daar ook wat aan doen. Het is iets onontkoombaar, iets dat je wezen, je leven, je voelen en denken helemaal domineert. Het maakt je tot mens die je bent. Ik heb bijna dagelijks de behoefte om me om te kleden. Het is travestiet zijn met een heel sterk fetisjistische ondertoon voor kleren en lingerie. Het is nog steeds een fixatie, een obsessie, een dwangneurose, maar ik heb er vrede mee genomen. Het maakt mijn leven niet meer tot een hel. Dat was vroeger wel zo omdat ik het niet durfde uiten. Nu kan ik het beleven, erover schrijven, er met jou over praten... Je komt me opzoeken om erover te praten en het is bevrijdend. Het is geen blok aan mijn been meer. Het geeft me steeds weer inspiratie. Een liedje op mij laatste plaat, In uw sacoche (2004), gaat erover dat ik in de sacoche van mijn vriendin snuffel op zoek naar de autosleutels en vol bewondering ben voor een lipstick, parfum en een tampon. Een man die geen travestiet is gaat daar niet over schrijven.

Het was niet makkelijk om het te vertellen aan mijn ouders, zeker niet ten opzichte van mijn vader. Tegen mijn moeder wel omdat ik al heel lang het vermoeden had dat zij het wist: vrouwelijke intuïtie. Zelf heeft ze het nooit ter sprake gebracht. Ze is afgelopen week overleden. Met haar had ik een goed contact. Ik ben altijd het zwart schaap geweest in de familie. Mijn moeder heeft altijd geprobeerd mij een uitgestippeld pad te laten bewandelen, maar daar is ze nooit in geslaagd. Toch is ze altijd heel vergevingsgezind geweest ten opzichte van mij, ook met die travestie. Voor mij was het zeer belangrijk dat ze dat wist vooraleer het in de media kwam. Ze fungeerde als brug naar mijn vader. Ik heb het tegen haar gezegd en zij heeft het tegen mijn vader gezegd. Tussen mijn vader en ik is het nooit openlijk over gesproken. Dat moest ook niet. Mijn broers en zussen hebben dat goed opgevat. Ik confronteer hen daar ook niet mee. Ik zal hoogstens mijn ogen wat opmaken.

Mijn ouders waren niet de eersten die het wisten. Rond mijn dertigste begon ik het te vertellen aan mijn vriendinnen. Dat was op zich al een bevrijding. Geen van mijn vriendinnen is daarop afgeknapt, integendeel, ze waren er heel geïntrigeerd en gefascineerd door. Het maakte mij in hun ogen blijkbaar nog specialer. Een uniek mannelijk exemplaar. Een vrouw heeft aan mij een vriend én een vriendin. Ik ben een koopje (giert het uit...)

Februari 2005