18 Oct, 2017

Portretten 2003-2006

Sven - Juli 2003

Bakkebaarden zoals mijn vader

Sven hangt in short en T-shirt over de afsluiting van de trappenhal. Hij is de onrust zelve en spreekt met veel mimiek en bewegingen. Sven voelt zich goed in zijn vel: nog gevangen in een vrouwenlichaam, maar niet voor lang meer. De borstamputatie staat gepland. “Je bent een echte kwajongen”, zeg ik. Dat vindt Sven een compliment. Haar beroep: machinist. Zijn jongensdroom: bestuurder van een hogesnelheidstrein. Een wens die binnen enkele jaren uitkomt als alles goed verloopt. Niet de éérste vrouwelijke HST-bestuurder, maar één van de vele mannen.
 
Ik zie wel dat mensen soms twijfelen. Maar ze komen niet naar me toe om te zeggen dat ik een kwajongen ben. Misschien denken ze het, maar zeggen het niet omdat ze vermoeden dat ze me daarmee kwetsen. Ik heb er geen last van als mensen kijken. Ik zie er niet uit als een monster. Soms heb ik het gevoel dat ik in een vreemd land zit, waar ik me niet thuis voel. Ik probeer van het landschap te genieten en me niet in mijn kamer op te sluiten.

Er zitten vm-ers [vrouw naar man-transseksuelen] in de chatgroep die kwaad zijn op kleine jongens, omdat ze vinden dat ze dat jongetje-zijn gemist hebben. Ik heb niet het gevoel dat ze me in een keurslijf van een meisje gestopt hebben waardoor ik de vrijheid had me enigszins als jongetje te ontwikken. En daar voelde ik me goed bij.

Als kleuter zat ik op een gemengde school. In het lager onderwijs waren het alleen meisjes. Dat was rampzalig. Ik voelde me een buitenstaander, maar speelde met ze. In het secundair onderwijs kon het ook weer met jongens. Tussen de meisjes, daar viel ik pas op. Iedereen dacht: “Wat doet die jongen hier op de meisjesspeelplaats?” Ik probeerde zoveel mogelijk situaties op te zoeken waarin dat de twee of alleen jongens aanwezig waren, om niet op te vallen.

Het denken is begonnen met een televisieprogramma, de Steek er wat van op-show. Ik was 14. Er zat een man in de zetel en Emiel Goelen zei: “U bent als vrouw geboren...” Plots ging er bij me een licht branden. Twee jaar later ben ik voor het eerst naar de Genderstichting gegaan. Daar stond een kerel en die vroeg: “Heb je het ook moeilijk als man?” Hij dacht dat ik een jongen was. Dat was dus een compliment.

Ik heb lang gedacht: “Ik ben een jongen, maar ik ga het proberen met dat lichaam.” Ik bestempelde me als een laatbloeier en dacht dat het er nog wel zou aangroeien. Maar toen ik mijn regels kreeg wist ik dat het niet meer goed zou komen. Ik voelde me mislukt, verdrong alles, maar dacht: “Voor de buitenwereld ben ik normaal, want ik val op mannen.” Ik bleef mezelf wel, maar ik leefde in mijn ivoren torentje. Op mijn 18 ben ik begonnen aan de gesprekken, maar niet met de behandeling. Ik voelde mij niet sterk genoeg en dacht dat ik een homoman zou worden. Dat vond ik toen een ongelooflijke hindernis.

Ik probeerde het gewoon als jongensachtige vrouw. Als een soort van compensatie deed ik avontuurlijke dingen: windsurfen, golfsurfen, voetballen, motorrijden, skydiven... Enerzijds vond ik het niet tof dat ze zo benadrukte: “Wauw, het is een vrouw die dat durft... parachutespringen!” Anderzijds vond ik het wel sympathiek. Ik kreeg daardoor extra aandacht die ik als man niet zou gekregen hebben en ik genoot wel van die aandacht. In de springclub kwamen ze zich met vijf tegelijk aanbieden om mijn parachute te plooien. Het mannetjesdier is zo ingesteld.

Mijn ouders zijn het pas te weten gekomen toen ik ze meenam op gesprek in Gent. Daarvoor wisten ze ook wel dat er iets niet klopte. Tegen hen heb ik het redelijk rechtuit gezegd. Mijn vader reageerde onverschillig. Mijn moeder heeft wel tijd nodig gehad. Ze ziet vooral de operaties niet zitten. Mijn zus is met me opgegroeid en vond het gewoon hoe ik was. Ze hadden eens tegen haar gezegd: “Je broer kan heel goed pingpongen.” Ik had het zelf uitgelokt. Ooit zei ze ook wel eens: “Ik heb nog een zus...”  Mijn zus is redelijk knap, dus was er interesse. En dan zei ze er voorzichtig bij: “Ze is een beetje jongensachtig...”

Ik studeerde af en mensen verwachtten dat ik in het onderwijs ging. Maar ik zei: “No way!” En dan probeer je iets anders te verzinnen. Ik heb een tijdje binnen gewerkt: op één plaats, op een stoel, voor een computer... Niets voor mij. Na wat omzwervingen ben ik treinmachinist geworden. Een jongensdroom! Daar kijken ze omdat ik een vrouw ben en als treinbestuurder werk.

Ik heb het op het werk verteld aan een viertal mensen, met in mijn achterhoofd: “Ze zullen dat dan wel verspreiden.” Ze weten het nog niet allemaal, want er zijn er nog te veel die mij echt als een meisje behandelen. Als ik zeg van: “Ik zou met de HST willen rijden”, dan zeggen zij: “De eerste vrouwelijke HST-bestuurder.” Dan zeg ik: “Wie weet...” Ik ben heel onduidelijk over mijn voorkeur en als ze vragen: “Ben je lesbisch”, zeg ik: “Dat weet ik niet.” Dan denken ze zeker dat ik het ben.

Waarom Sven? Het was gewoon handig, want het begint met een S. En Sven betekent maagd van het mannelijk geslacht. In het oud-Noors betekent het jongeling. Het was een populaire jongensnaam. Ik vind dat ook echt mannelijk klinken. Het is ook een Scandinavische naam en ik heb zo’n bleek uiterlijk, dat past misschien wel. Serge bijvoorbeeld, dat past niet bij mij, dat telt voor een donker type. En Sergei dat vond ik dan weer té vreemd. Simon dat vond ik ook wel heel tof en mijn moeder ook. Zij was er blijkbaar ook over bezig geweest met een vriendin, want ze kwam dan af met namen.

Nu doe ik er zo veel mogelijk aan om er als een jongen uit te zien. Dus moest ik me houden aan de regels voor de jongens. Als ze oorringen aandoen, doen ze dat maar aan één kant. Maar een keer als ik als man toonbaar ben, als ik de andere kenmerken heb, zoals een zware stem en een hoekig gezicht dat kan ik weer doen wat ik wil. Dan maken die andere dingen je aanvaardbaar. Ik vind het tof om daar mee te spelen.

Mijn ideaalbeeld? Dat ik een knappe vent ben en een relatie heb met aantrekkelijke gast. Dat de operaties lukken en dat ik niet te veel complicaties zal hebben. Ik hoop dat ik een beetje toonbaar ben. Ik vind mezelf nu niet lelijk. Er zijn onderdelen die niet kloppen. Ik wil er gerust uitzien zoals nu, maar dan de mannenversie. Ik heb helemaal geen ideaalbeeld van een grote gespierde man (lacht). Het enig wat ik moet hebben is bakkebaarden. Mijn pa heeft ook zo van die joekels. Ik hoop dus dat dat bij mij ook zo zal zijn. En hij heeft nog al zijn haar.

Juli 2003