18 Oct, 2017

Portretten 2003-2006

Cathy - Oktober 2003

Mijn omgeving heeft van mij een kunstmatige man gemaakt

Cathy opent de deur van het huis waar ze zichzelf tot een paar maanden geleden erg ongelukkig voelde. Dat woord valt tijdens het interview een aantal keer. Ze denkt erg veel na over het gevoel van ongewild man en liever vrouw zijn. Cathy stelt enorm veel vragen over haarzelf, hoofdzakelijk over hoe het er op lange termijn zal uitzien. Ondanks alles heeft ze de afgelopen maanden haar joie de vivre behouden, vooral dankzij haar zoon.

Als ik ‘s morgens voor mijn garderobe ga staan, zou ik graag vrouwenkleren aantrekken om naar het werk te gaan, maar dat kan niet. Ik zeg dan tegen mezelf: “Je moet die andere kleren aandoen en je moet je als man profileren omdat de maatschappij dat van je verwacht.” Dat maakt me iedere dag ongelukkig. Elke dag is een innerlijke strijd met vragen zoals: “Wie ben je voor jezelf?” en “Wie moet je zijn voor de maatschappij?”

Op dit ogenblik zoek ik geen antwoord naar het waarom omdat ik me nog afvraag wat ik ben: een travestiet, een transseksueel of iets tussen de twee in, wat ze een transgender noemen? Een aantal stadia heb ik al gehad, zoals mijn fetisjistische en autogenofiele periode. Ik evolueer naar transseksualiteit en dus naar volledig vrouw zijn. Ik zou het heel graag willen, maar dan kom ik terug in de realiteit en denk ik dat het toch niets zal veranderen. Er komen dan alleen maar meer vragen: “Wil ik een operatie of niet?”, “Ga ik gelukkiger zijn als ik mij laat opereren?”, “Ga ik dan nog een sociaal leven hebben?”, “Ga ik mijn kind nog kunnen zien na de operatie?”... Dat maakt mij ongelukkig.

Ik ben er al dertig jaar mee bezig, want het is allemaal begonnen toen ik vijf, zes jaar oud was. Ik ging snuffelen in spullen van mijn ma: een paar kousen, een bh, een slipje, een kleedje, een bloes... allemaal onder mijn lakens. Het heeft niets met seks te maken, want wat heeft een kind van vijf met seks? Mijn ma was professionele naaister. Ze had op een bepaald moment een satijnen communiekleedje klaar. Ik trok het aan en ze betrapte me terwijl ik dolgelukkig op bed aan het springen was. Ze gilde: “Je mag dat niet doen! Een kleedje is voor een meisje en je bent een jongen!” Ik dacht: “Oei! Ik doe iets verkeerd.” Wat ik voelde hield ik voortaan voor mezelf. Ik was bang dat ze zouden zeggen dat ik ziek was en dat ze me in een psychiatrische instelling zouden stoppen. Toch bleef ik het stiekem doen...

Tijdens mijn puberteit raakte ik er wel seksueel opgewonden van en opnieuw dacht ik dat ik iets verkeerd deed. Het was heel angstaanjagend. Het gevoel ging weg, maar kwam af en toe nog eens op. Dat ging zo tot aan mijn twintigste. Als student woonde ik nog bij mijn ouders. Ik kocht mijn allereerste vrouwenkleren. In een etalage zag ik een mooi mantelpak en ging de winkel bevend binnen. De verkoopster vroeg: “Meneer, kan ik je helpen?” Ik twijfelde, wilde naar buiten vluchten, maar zei na lang aarzelen vrij overtuigend: “Ja, u kan mij helpen!” Opnieuw aarzelde ik... maar zette door: “Ik heb een mantelpak gezien en ben echt geïnteresseerd!” De verkoopster vroeg me onmiddellijk: “Wat is de maat van mevrouw?” Ik wist niet goed wat antwoorden en stamelde: “Ze is iets kleiner dan ik, maar heeft ongeveer dezelfde breedte.” De winkelbediende liet me een paar modellen zien en heb toen mijn eerste mantelpak gekocht. Ik heb het nog altijd.

Begin jaren ‘90 trouwde ik en dacht bij mezelf: “Nu ga ik ermee stoppen. Ik ben genezen door te trouwen!” Alles ging de vuilbak in, behalve dat mantelpakje. Maar de kleerkast van mijn vrouw werd toch de temptation of the devil. Probleem was dat ze twee maten kleiner was dan ik... erg frustrerend. Toen onze zoon werd geboren, dacht ik: “Nu ben ik een man, ik heb ne kleine gemaakt.” Maar toch was het niet opgelost. Omdat ik me niet kon omkleden, raakte ik gefrustreerd en voelde me ongelukkig. Ik heb mij nooit kunnen zien als man. Ik walg niet van mezelf, maar ik haat mezelf als man. Ik heb geen mannenkarakter, dat heb ik nooit gehad. Ik ben niet verwijfd, maar ik ben een veel te zachte man. Ik heb geen karakter, want ik kan nooit “neen” zeggen.

Als kind van vijf, zes jaar oud, vroeg ik me af: “Waarom wil ik meisjeskleren dragen? En waarom mag ik niet?” Ik zag al die meisjes in mijn klas en ik was jaloers. Ik wilde een meisje zijn. Ik begreep niet waarom ik iets tussen mijn benen had. Mijn opvoeding, de sociale druk, mijn omgeving en vriendenkring hebben van mij een kunstmatige man gemaakt. Mijn echte emoties zijn altijd verborgen gebleven. Tot begin 2002...

Als ik thuis kwam van mijn werk begon ik steeds vaker te huilen. Ik wachtte altijd tot mijn vrouw ging slapen om dan met tranen in de zetel te vallen. Ik wist niet meer wat er scheelde. Ik was jaloers op alle secretaresses op het werk die elke dag netjes opgemaakt aan de slag waren. Ik begon in maart te zoeken via de computer, tikte het woord “travestiet” in en kreeg 300.000 verschillende websites. TG Now was de eerste website die me opviel met informatie voor travestieten en transseksuelen én make overs van man naar vrouw. Ik realiseerde me dat ik niet alleen was en wilde ze ontmoeten. Via via kwam ik op een chatkanaal terecht. Ik was opgewonden. Na een paar dagen was ik met een aantal mensen aan het praten. Ze gaven me de gegevens van CARITIG door, een Franse organisatie, en zo ben ik bij de Genderstichting terechtgekomen. Daar ben ik in september 2002 gaan praten, wat een fantastische ervaring was.

Na dat gesprek vond ik dat ik het aan mijn vrouw moest zeggen. Zij dacht dat ik een affaire had met een andere vrouw. Dat was dus niet waar. Ik had een affaire met mijzelf omdat ik verliefd was op mijn eigen beeld als vrouw. Ik vroeg haar eerst of ze wist wat transseksualiteit is. “Ja”, zei ze. Toen vroeg ik haar of ze wist wat een travestiet is. Ze zei opnieuw “ja”. Ik legde haar uit dat ik tussen de twee inzat. Ze was helemaal haar kluts kwijt. Ik heb het haar van a tot z uitgelegd: dat het geen ziekte is, dat het niet echt een probleem voor mijzelf is, maar dat wel kan zijn voor de maatschappij, dat het leefbaar is… Ze vroeg of ik het dikwijls deed, of ik uitging, waar ik mijn kleren kocht, of ik ook in haar spullen zat.

De volgende dagen kwamen er meer en meer vragen. Omdat ik naar een bijeenkomst wilde moest ik nog een paar dingen gaat kopen. Ik ben toen samen met mijn vrouw gaan shoppen. We kochten wat kleren en ondergoed. Ik vond het tof, maar het was niet duidelijk of ze het tolereerde of aanvaardde. Toen we thuis waren, wilde ik de kleren meteen aandoen. Maar dat ging dus niet. Praten vond ze best goed. De confrontatie met de realiteit wilde ze niet. Dat maakte mij opnieuw ongelukkig. Later ging ze me verwijten dat ik het niet eerder had gezegd. We zijn uit mekaar gegaan.

Intussen weten mijn zoon, mijn ouders, mijn vrienden en collega’s het al. Niemand heeft er problemen mee op foto, maar de reële confrontatie, dat kan blijkbaar niet. Ze weten niet hoe ze moeten reageren, want ze hebben mij altijd gekend als man en plots verschijnt daar een vrouw. Toch was het outen een opluchting, een soort bevrijding, omdat ik gedeeltelijk mocht zijn wie ik werkelijk ben. Zelfs mijn ouders zeggen dat ik gelukkiger ben. Ze zien het aan mijn gezicht. Ook zij waren toch wel opgelucht, want ze maakten zich echt zorgen. Ik stond immers op het punt om zelfmoord te plegen.

Voor de nabije toekomst denk ik aan enkele lichamelijke aanpassingen: lasertherapie voor mijn gezichtshaar, gaatjes in mijn oren, mijn haar laten groeien zodat ik geen pruik meer hoef te dragen. Het kan me niet schelen wat de mensen van mij denken. Maar voor de verre toekomst, zie ik momenteel geen toekomst voor Cathy. Ik zou graag evolueren maar de sociale druk van de familie is momenteel veel te groot. Doe ik een deur open, krijg ik opnieuw zeven deuren, waar ik moet tussen kiezen. Dat zoeken neemt veel tijd in beslag, dus wacht ik tot ik de juiste weg heb gevonden en innerlijk in evenwicht ben. Dat zal waarschijnlijk een kwestie van tijd zijn, maar ook een kwestie van acceptatie door de omgeving. Op dit ogenblik neem ik het leven zoals het komt, dag per dag.

Oktober 2003